Bomen planten in de Belgenhoek

In het kader van de compensatieregeling van de herplantplicht van bomen heeft de stichting VEEN op zaterdag 4 maart in opdracht van de gemeente Peel en Maas 1 hectare bomen en struiken geplant. Op het perceel van de stichting VEEN in de Belgenhoek van Grashoek zijn de bomen geplant: 1950 eiken, 1950 beuken en 1950 berken. Bovendien zijn voornamelijk op het zuiden de volgende bessendragende struiken geplant: 200 vuilbomen, 200 Gelderse rozen, 100 hazelaars en 150 stuks kardinaalsmuts.

Grard Smedts maakte een natuurtechnisch verantwoord plan. Na een grondige voorbereiding van de secretaris van de stg. VEEN, Piet Blankers en bestuurslid Harrie Loomans zijn 24 vrouw/man sterk om 09.00u met veel teamwork voortvarend aan de slag gegaan.
Om 12.00u was de klus geklaard. De beloning in de vorm van worstenbroodjes werd in dankbaarheid aanvaard.

De weergoden waren ons welgezind met een bijna lenteachtige dag. En toen in de avond de bomen ook nog door veel regen werden voorzien van vocht kunnen we zeggen dat het een zeer succesvolle boomplantdag is geworden. De bomen kunnen nu hun werk gaan doen waarvoor ze zijn bestemd: CO2 omzetten in zuurstof.

De voorzitter van de stichting VEEN was op vakantie in Spanje en heeft tot zijn spijt niet mee kunnen werken aan het planten van bomen.
Wel heeft hij voor alle werkers sangria, een echt Spaans drankje, laten over komen, waar we samen van hebben kunnen genieten.

 

 

 

 

 

 

Beheerplan VEEN-gronden

In week 38 is begonnen met de werkzaamheden aan de Lagebrugweg. Aan de westzijde wordt een plas-dras situatie gemaakt, gunstig voor de bio-diversiteit (o.a. insecten, amfibieën). Het is ook goed voor de hydrologie, omdat SBB verder noordwaarts een stuwtje gaat plaatsen; de waterstand wordt dan hoger en stabieler en geeft tegendruk voor het Zinkske.

 

 

 

Stichting VEEN voert op haar percelen het 3V-beheer. Op het voorlichtingspaneel bij ons perceel aan de Lage Brugweg (klik op foto voor vergroting) staat dit beheer kort uitgelegd. De tekst daarvan ziet u hieronder. Voor uitgebreidere informatie over het door VEEN gevoerde beheer kunt u hieronder klikken op de knop "Lees meer: Het 3V-beheer".

Welkom in veenreservaat Lage Brugweg !

Op dit perceel wordt door stichting VEEN het 3V-beheer gevoerd:

  • Vernatting: de twee laagtes op het perceel zijn afgedamd zodat een hogere grondwaterstand ontstaat. Dit is gunstig voor de soortenrijkdom op het perceel zelf, maar zorgt ook voor een stabiele hoge waterstand in de Peelrestanten zoals het Zinkske aan de overkant van de weg. Een hoge, stabiele waterstand bevordert daar de groei van hoogveen.
  • Verschraling: het perceel wordt jaarlijks gehooid en het maaisel afgevoerd. Door die verarming krijgen meer soorten planten de kans om te groeien en ontstaat op den duur een bloemrijk schraalgrasland.
  • Verruiging: het raster is een aantal meters terug geplaatst. De ruigtes die daar ontstaan zijn een goede schuil- en/of broedmogelijkheid voor allerlei insecten, vogels, vlinders en zoogdieren. 

Door het gevoerde beleid ontstaan er ook allerlei overgangen (o.a. hoog-laag, nat-droog, voedselrijk-voedselarm). Deze overgangen worden gekenmerkt door een grote soortenrijkdom aan planten en dieren. 

 

Het "3V-beheer"


De door VEEN te verwerven gronden zijn laag gelegen, natte percelen met (meestal) een venige ondergrond. Ze liggen allemaal in de flanken van de Verheven Peel, dus dicht bij of direct grenzend aan de veenmoerassen van de Verheven Peel. In dit document worden de inrichtings- en beheersmaatregelen besproken die de Stichting VEEN voornemens is uit te voeren op de door haar te verwerven gronden. Dit beheer wordt samengevat in de term "3 x V-beheer": vernatting, verschraling, verruiging en wordt hieronder nader toegelicht.

1. Inrichtingsmaatregelen.
De inrichtingsmaatregelen zijn nodig voor het creëren van de abiotische randvoorwaarden vochtigheid, voedselarmoede en openheid, die nodig zijn voor hoogveen (achtige) natuur.
De belangrijkste abiotische randvoorwaarde is de hydrologie. Door de waterstand in de flanken van de Verheven Peel te verhogen ontstaat een tegendruk voor de grondwaterstand in het natuurgebied zelf. Daardoor is het mogelijk een hoge en stabiele grondwaterstand in de natuurgebieden te verwezenlijken, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde is voor het herstel c.q. verdere ontwikkeling van de hoogveenvorming (hoogveenregeneratie). Op alle percelen zal ernaar gestreefd worden de waterstand zo hoog mogelijk op te zetten. Daartoe zullen de op de percelen aanwezige sloten worden verondiept en/of afgedamd. Boven in die dam worden buizen gelegd, waardoor de overtollige voedingsstoffen worden afgevoerd, zodat de noodzakelijke verschraling kan worden bereikt. 
2. Beheersmaatregelen. 
Het uitgangspunt van het beheer is het streven naar open, natte en voedselarme schraalgraslanden. Bij het beheer zal in de beginfase (de eerste 25 – 50 jaar) een onderscheid gemaakt worden in floristische en (avi) faunistische doelen (m.n. weidevogels). Daarna is (hopelijk) zo’n groot gebied in handen dat alle organismen zelf wel ergens een plek zullen vinden. De wijze van beheer wordt gekoppeld aan de status van de grond: EHS of niet-EHS.
a. Op de EHS-percelen zal de nadruk liggen op een floristisch beheer. De flanken van de Verheven Peel vormen nu al plaatselijk soortenrijke graslanden. Door het voeren van een verschralingsbeheer is het mogelijk dat de soortenrijkdom wordt vergroot en er bloemrijke, halfnatuurlijke (blauw) graslanden ontstaan. Bij dit beheer is het nodig dat jaarlijks wordt gehooid en dat het hooi wordt afgevoerd. In beginsel zal geprobeerd worden jaarlijks tweemaal te hooien en het maaisel af te voeren. Als dat vanwege de te geringe draagkracht van de bodem door de hogere grondwaterstand in het najaar niet mogelijk is zal na het hooien nabegrazing met grote of kleine grazers (runderen, paarden of schapen) worden toegepast. Zowel bij het hooien als bij het (eventuele) nabegrazen zal ernaar gestreefd worden om naburige agrariërs in te schakelen, omdat daarmee het draagvlak voor de activiteiten van de stichting VEEN in de streek wordt vergroot.

Daarnaast zal op deze percelen ook rekening gehouden worden met de fauna door langs de perceelsranden een ruigtestrook (+ 5 m breed) en/of een extensieve hooilandstrook (10 m breed) te handhaven. De ruigtestrook zal om de 5 á 10 jaar ontdaan worden van houtige opslag en de extensieve hooilandstrook zal pas later (na 1 augustus) worden gemaaid. Op deze wijze ontstaat een geleidelijke gradiënt van voedselrijk naar voedselarm. Binnen de ecologie staan gradiënten bekend om hun soortenrijkdom. 

Op de hogere en drogere (delen van) percelen (de inzijgingsgebieden) zal incidenteel ook gekozen worden voor 15-30 meter brede akkerranden om de graslandpercelen heen. Deze randen zullen voor een deel worden ingezaaid met haver en/of gerst (eventueel door elkaar; haver heeft tot later in het jaar nog zaad dan gerst) en voor een ander deel met rammenas (soort Carlos: zadenrijk) en/of vlas (lijnzaad). Deze laatste twee gewassen produceren oliehoudende zaden waar weer andere vogelsoorten van profiteren dan van het graan. Na inzaai blijft het gewas de hele zomer en winter staan en wordt in het daarop volgende voorjaar (begin april) ondergewerkt en opnieuw met (zomer) haver/gerst en rammenas ingezaaid. Na enige jaren kan worden overgeschakeld op zwarte haver, spelt of boekweit, omdat die beter gedijen in een voedselarmere situatie. Van deze randen profiteren allerlei akkersoorten, die momenteel zwaar onder druk staan. Op deze randen vindt geen onkruidbestrijding plaats. Eventuele grootschalige vorming van akkerdistels wordt voor de bloei mechanisch bestreden door de distels te maaien, echter alleen als er door overdadige distelgroei overlast voor aangrenzende agrariërs optreedt. 

b. Op de niet-EHS percelen zal een gemengd floristisch-avifaunistisch beheer gevoerd. Ook hier zal een verschralingsbeheer gevoerd worden, gecombineerd worden met een ruigtebeheer. Daarnaast zal met name rekening gehouden worden met de aanwezigheid van weidevogels. Grote delen van de flanken van de Verheven Peel (m.n. het Molentje) behoren tot de hoogst gelegen weidevogelgebieden van Nederland. Soorten als Grutto, Wulp en Kievit kunnen deze gebieden gebruiken als broed- en/of foerageergebied. De laatste decennia is er sprake van een sterke daling van de populatie weidevogels. Voor weidevogels is het noodzakelijk dat de bodem drassig is zodat ze er goed met hun snavel in kunnen binnendringen. Daarnaast is het nodig dat er een rijk bodemleven aanwezig is zoals allerlei soorten wormen, die het belangrijkste voedsel voor de weidevogels vormen. Om deze rijkdom aan bodemleven te handhaven is het nodig dat de percelen (dus niet de ruigteranden) zeker eens in de drie jaar worden bemest met grove mest. Dal zal echter alleen gebeuren op die percelen waar:
-al een weidevogelpopulatie (in de buurt) zit,
-een voldoende groot (ca. 50 hectare) aaneengesloten areaal aanwezig is om weidevogelbeheer uit te voeren. Dit areaal kan bestaan uit VEEN-gronden en daaraan grenzende gronden van SBB. 
-de afwatering dusdanig is dat het water van de Peel wegloopt om voedselverrijking in het natuurgebied te voorkomen.
Wij verwachten dat genoemd beheer op zijn minst zal helpen om een verdere afname van de aantallen weidevogels tegen te gaan, maar naar wij aannemen zelfs zal bijdragen aan een herstel van de populatie. 
Ook op de niet EHS-percelen wordt in principe 2 maal per jaar gehooid. Maar om broedende weidevogels niet te verstoren zal pas na 1 juli worden gehooid. 
Bovengenoemd beheer heeft als consequentie dat floristische doelen minder snel gehaald zullen worden, maar dit wordt geaccepteerd om de weidevogelpopulatie in stand te kunnen houden. 
Op deze percelen zullen tenslotte eventueel aanwezige houtwallen worden verwijderd omdat dit uit oogpunt van predatie noodzakelijk is (houtwallen verschaffen dekking aan predatoren). De locaties waar de houtwallen gestaan hebben zullen herkenbaar blijven door daar een ruigtebeheer te voeren, zoals boven omschreven.

Door te kiezen voor bovengenoemde verschillende vormen van beheer zal ook de landschappelijke variatie in het gebied worden versterkt. 

Voor een doelmatig en op perceelsniveau afgestemd beheer heeft de stichting VEEN twee deskundigen bereid gevonden om (pro deo) als adviseur op te treden: Drs. B. van Noorden, beleidsmedewerker bij de provincie Limburg, erkend deskundige op het gebied van de (avi)fauna en ing. M. van Roosmalen, beheerder district Noord-Limburg bij Stichting het Limburgs Landschap, die ruime ervaring heeft met inrichting en beheer van natuurterreinen, in het bijzonder natte- en vochtige graslanden. Zij hebben dit beheersplan mede opgesteld. Daarnaast wordt bij het beheer ondersteuning verleend door Jan Slaats (IVN Meijel) en Grad Smets (IVN Helden).

Piet Blankers, juni 2005

 

Foto Gallerij

Contact gegevens

Stichting VEEN

p.a. Het Haze-pad 17

5768 AB  Meijel

T: 077 466 2268

E:

Logo Stichting DOEN